| Dejima | ||
|---|---|---|
| Bestaan | 1641 - 1859 | |
| Afgestaan aan | Japan | |
| Tegenwoordig | Japan | |
| Oppervlakte | 14.800 m² | |
| Inwoners | 20 of minder | |
| Munteenheid | Tael[noten 1] | |
| Kaart | ||

Dejima (Japans: 出島 vooruitgestoken eiland) (ook "t eylant Schisma", Decima, Deshima of Desjima) is een voormalig kunstmatig, waaiervormig eilandje van nog geen anderhalve hectare in de haven van Nagasaki in Japan. Het is in de loop der tijd door landaanwinning deel geworden van het vasteland. Het was vanaf 1641 tot en met 1859 een Nederlandse handelspost en het enige contact tussen de westerse wereld en het verder grotendeels van de buitenwereld afgesloten Japan. In 1922 werd Dejima aangewezen als Japans cultureel erfgoed. Dejima werd in 2006 heropend als openluchtmuseum met herbouwde woningen en pakhuizen.
In 1543 landde op Tanegashima een kleine Portugese vloot, de eerste Europese schepen die Japan bezochten. In 1549 arriveerde de jezuïet Franciscus Xaverius met een aantal metgezellen in Kagoshima op het eiland Kyushu. Dat was de aanvang van de missie van de jezuïeten in Japan. Vanaf 1570 werd de haven van Nagasaki geopend voor de handel met de Portugezen. Naast het handeldrijven waren de Portugezen actief in het bekeren van Japanners tot het katholieke geloof. In 1580 droeg de tot het christendom bekeerde Omura Sumitada (die Bartholomeus als doopnaam koos) de jurisdictie van Nagasaki over aan de jezuïeten. Het katholieke geloof kreeg aanvankelijk vaste voet in Japan, en de Portugezen verkregen het de facto monopolie op de zijdehandel met China.
In 1598 zonden Pieter van der Hagen en Johan van der Veeken een vloot van vijf schepen uit onder leiding van Jacob Mahu en Simon de Cordes om via de Straat Magellaan Indië te bereiken. Van deze vloot bereikte alleen het schip De Liefde Japan; slechts 24 bemanningsleden, waaronder Jacob Quaeckernaeck, William Adams, Jan Joosten van Lodensteyn en Melchior van Santvoort, hadden de reis overleefd. Zij werden door de shogun Tokugawa Ieyasu met veel belangstelling ontvangen. Quackernaeck en Van Santvoort kregen in 1605 toestemming om Japan te verlaten met een brief, die door Cornelis Matelieff aan de Staten-Generaal werd overhandigd.

In 1609 gaven de koopmannen Nicolaas Puyck en Abraham van den Broek een brief van Maurits van Oranje aan de shogun, met het verzoek om de Japanse havens voor de Nederlanders open te stellen. De brief viel in goede aarde en de Nederlanders kregen een handelspas voor toegang tot alle havens in Japan. In september van dat jaar huurden de Hollanders een huis op Hirado.[noten 2] Jacques Specx werd het eerste zogenoemde "opperhoofd", de opperkoopman (door de Japanners Oranda Kapitan genoemd naar het Portugese capitão) van deze factorij.[noten 3]
In de beginjaren liet de handel veel te wensen over, maar toen de Nederlanders in 1624 een centraal gelegen handelspost op Formosa openden, ging het beter. Aanvankelijk aasden de Nederlanders ook op de rijk beladen Portugese schepen en Chinese jonken, wat tot een berisping leidde.
Vanaf 1614 was er sprake van een systematische vervolging van het christendom. Vanaf 1623 is het beleid onder de shogun Tokugawa Iemitsu gericht op de vernietiging daarvan. Er is door historici veel gepubliceerd over mogelijke verklaringen voor dit beleid. Een van die verklaringen zou de Japanse opvatting zijn, dat men op basis van het voorbeeld van de Filipijnen overtuigd was dat missie en militaire bezetting van een land onlosmakelijk met elkaar verbonden was. Er zijn ook wel enige bewaard gebleven Japanse geschriften, waarin die overtuiging verwoord wordt en om die reden eliminatie van de missie werd bepleit.
In studies van eind twintigste en begin eenentwintigste eeuw wordt dit argument gerelativeerd. Die studies betogen dat het shogunaat nooit echt de vrees voor een verovering heeft gehad. Ze gaan meer uit van een combinatie van een door het shogunaat gewenste opstelling van het land en onoverbrugbare culturele tegenstellingen tussen de waarden van het overgrote deel van de Japanse samenleving en het daar door missionarissen gepredikte christendom. Het christendom werd gezien als een vorm van ernstige heterodoxie, die de juiste ordening van de samenleving bedreigde. Het concept van de Ene Almachtige God was in het Japanse religieuze systeem en denken op zich al geheel afwezig. De notie dat men aan God een loyaliteit diende te betonen die uitging boven waarden als kinderlijke gehoorzaamheid, werd als onacceptabel beschouwd.
Het shogunaat wenste na ruim een eeuw van burgeroorlog te bouwen aan een welvarend en vooral stabiel Japan. In die opvatting paste een tot het minimum terugbrengen van buitenlandse invloeden. In 1639 werd het besluit van de sakoku genomen en uitgevoerd dat tot 1867 een vrijwel gehele afsluiting van Japan voor de buitenwereld tot resultaat had. Japanners werd verboden het land te verlaten. Naast Chinese en Koreaanse schepen konden alleen Nederlandse schepen via de handelspost op Dejima nog handel drijven in het land. De eliminatie van de missie en het christendom is in die visie slechts een onderdeel van dat beleid.
In 1639 werden de Portugezen het land uitgezet en vaardigde de shogun een verbod uit op handel met de Portugezen, op straffe van de dood. Toen in de zomer van 1640 toch nog een Portugese delegatie Japan bezocht om hun zaak te bepleiten, werden zestig mannen onmiddellijk geëxecuteerd. Slechts dertien bemanningsleden keerden terug naar Macau om het slechte nieuws te verkondigen. De steun van Nederlanders in de strijd tegen Japanse christenen, zoals bij de Shimabara-opstand en het afzien van openlijke geloofsuitingen heeft er waarschijnlijk aan bijgedragen dat zij als enige Europeanen in Japan actief konden blijven.

In 1634 begonnen de Japanners aan de bouw van een kunstmatig eiland in de baai van Nagasaki. Hier zou een Portugese handelspost gevestigd moeten worden. De bouw werd op bevel van de bakufu door 25 rijke handelsfamilies van Nagasaki gefinancierd. Al in 1636 was het werk gereed en daarna gingen de Portugezen daar wonen. Enkele jaren later werden de Portugezen definitief uit Japan verbannen. Die verbanning had nadelige gevolgen voor de welvaart van de stad en zijn inwoners. Ook de Japanse families die het bouwproject hadden gefinancierd zagen hun investering waardeloos worden. Er werd een petitie aan de shogun gezonden.
Aanvankelijk leek het de Nederlanders dat aan hen geen restricties zouden worden opgelegd, maar in november 1640 verscheen de inspecteur-generaal Masashige Inoue om de Nederlandse factorij in Hirado te inspecteren. Nadat hij alle opslagplaatsen en woonhuizen had doorzocht naar christelijke objecten, beval hij het opperhoofd François Caron dat een nieuw gebouwd pakhuis van de VOC moest worden afgebroken. De shogun zou zich geërgerd hebben aan het onbeschaamde gedrag van de Hollanders en de pracht van het gebouw, dat zelfs een jaartal met het jaar des Heren vertoonde op de gevel. Dit laatste was niet alleen een christelijke uiting, maar werd ook opgevat als een belediging van de shogun omdat dit het tijdperk van de Japanse dynastie zou ontkennen. De afbraak van de gebouwen in Hirado werd door Maximiliaan le Maire ten uitvoer gebracht.[1]
Bij de inspectie werden zaken gevonden die als voorwendsel werden gebruikt voor het bevel de factorij in Hirado te sluiten en de vestiging gedwongen naar Dejima te verplaatsen. Toen Le Maire in zijn functie als het nieuwe opperhoofd in het voorjaar van 1641 een bezoek aan het hof in Edo bracht, werd hem door de bakufu opgedragen de factorij te verplaatsen van Hirado naar het eilandje Dejima. Op 9 juni bezocht Le Maire het eiland om de verhuizing voor te bereiden; Dejima omvatte op dat moment zeven verlaten woonhuizen en acht pakhuizen. De verhuizing begon op 12 juni en op 25 juni 1641 werd het nieuwe onderkomen op het eiland betrokken.
Voor de shogun betekende dit dat hij de Nederlandse vestiging voortaan rechtstreeks onder zijn gezag kreeg, terwijl het de Japanse handelsfamilies in Nagasaki weer perspectief bood hun investering rendabel te maken: de Nederlanders betaalden voortaan jaarlijks een pachtsom aan de 25 families.
Bovendien werd het de Nederlanders opgedragen om jaarlijks een nieuw opperhoofd aan te stellen, om te voorkomen dat er te nauwe banden tussen de Nederlanders en de Japanners zouden ontstaan.[noten 4]
De Nederlanders leefden op Dejima onder strikte beperkingen. Het eilandje, dat ongeveer zo groot was als de Dam van Amsterdam, was slechts via één brug toegankelijk. Er mocht maar een beperkt aantal (10 tot 15, op zijn hoogst 20) Nederlanders op het eiland verblijven en, met uitzondering van een jaarlijks bezoek aan de shogun in Edo, mochten zij niet van hun eilandje af. De bezetting bestond in het handelsseizoen van augustus tot november doorgaans uit een opperhoofd (opperkoopman), een tweede koopman, enkele onderkooplieden en een aantal assistenten, waaronder de dokter. Aan het eind van het handelsseizoen vertrokken de tweede koopman en enkele van de onderkooplieden en assistenten weer naar Batavia.

De bezetting van Dejima stond onder voortdurende controle van Japanse otana's (wijkmeesters)[noten 5] en metsukes (controleurs van de shogun), door de VOC-dienaren dwarskijkers genoemd. Op het eiland werkten ongeveer 270 Japanners, waaronder 150 vertalers.[2] De overige Japanners kwamen voor de dagelijkse gang van zaken. Het waren onder andere leveranciers van voedsel, koks, bedienden, brandwachten, poortwachters en dragers.
In Hirado waren enkele Nederlanders relaties met Japanse vrouwen aangegaan. Dat de wind echter uit een andere hoek zou gaan waaien was twee jaar voor de gedwongen verhuizing naar Dejima al duidelijk geworden, toen de Nederlanders die met Japanse vrouwen waren getrouwd Japan moesten verlaten en alle Japanse echtgenotes met hun kinderen werden verbannen. Op Dejima beperkte het contact met vrouwen zich tot de prostituees, die ook wel als hulp in de huishouding dienstdeden. Het in het openbaar belijden van het christelijk geloof werd verboden. Bijbels en andere christelijke lectuur werden bij aankomst van een Nederlands schip in vaten gestopt en verzegeld. Ook wapens en munitie werden tot aan het vertrek in beslag genomen. Deze beperkingen zouden tot 1850 in stand blijven. Aan de andere kant was Dejima door deze beperkingen wel de veiligste factorij in Azië en vooral in de beginjaren maakten de Nederlanders aanzienlijke winsten op de handel.

In het hele tijdperk tot 1853 was Dejima het enige officiële punt van contact van het keizerrijk met de westerse wereld, maar de Nederlanders moesten met lede ogen toezien hoe de Chinezen in staat waren aan het monopolie te ontkomen. Al sinds 1547 gold een verbod, uitgevaardigd door de Chinese Ming-dynastie, op directe handel tussen China en Japan. De Portugezen waren in Japan daardoor een belangrijke tussenpersoon geworden in de handel van Chinese zijde voor Japans zilver. Nadat de Portugezen verdreven waren uit Japan, stapten de Nederlanders in de winstgevende zijde-voor-zilverhandel, maar moesten meer en meer ervaren dat Chinezen een deel van die handel innamen. In 1640 importeerden de Nederlanders nog voor ruim zes miljoen gulden uit China, een jaar later was dat naar nog maar een miljoen.[3]
Hoewel de Nederlandse handelspost met zijn handelsmonopolie voor de VOC bijzonder winstgevend was, heeft ook Japan veel aan de Nederlanders op Dejima te danken. De Nederlandse schepen brachten namelijk boeken en andere informatie die Japan in staat stelde meer over de buitenwereld te leren en in het bijzonder kennis te nemen van de in opkomst zijnde Europese wetenschap.
In de beginjaren speelde de inspecteur-generaal Inoue Chikugo-no-kami Masashige een belangrijke rol in het Japanse contact met de Nederlanders. Inoue was door de shogun aangesteld om het christelijke vraagstuk in Japan voorgoed op te lossen[noten 6] en hij was tevens aangesteld om de verhuizing van de Nederlanders naar Dejima te bewerkstelligen. Inoue gebruikte de Nederlanders om een oog op de Portugezen te houden, terwijl de Nederlanders hem gebruikten om al te ijverige keizerlijke ambtenaren van zich af te houden. Vrijwel al het contact tussen de Nederlanders en het hof van de shogun verliep uiteindelijk via hem, en beiden hadden er voordeel bij. Door de Nederlanders voortdurend te ondervragen kreeg Inoue een goed beeld van de wereld buiten Japan, en de eventuele bedreigingen van Portugese of Spaanse kant. De Nederlanders waren op hun beurt door hem voorbereid op lastige vragen die van de zijde van het hof zouden kunnen komen.

De affaire rond het schip Breskens, dat in 1643 op een tocht naar Cathay en Tartarije per ongeluk op de Japanse kust was geland, speelde in 1647 weer op. De bemanning van de Breskens was in 1643 gevangengenomen op verdenking van het verspreiden van het katholieke geloof in Japan. Hun aankomst in Japan was samengevallen met de aankomst van de zogenoemde tweede Rubino-groep, een aantal jezuïeten die vanuit Manilla naar Japan was gereisd in een roekeloze poging de apostaat Cristóvão Ferreira, voormalig hoofd van de missie van de jezuïeten in Japan, te bewegen terug te keren van zijn geloofsafval. In Edo werd de bemanning van de Breskens een aantal malen ondervraagd. Inoue had zich ingespannen om de zaak recht te trekken. Hij had al eens laten merken dat hij vond dat de Nederlanders als blijk van waardering een gezant van het Nederlandse hof zouden moeten sturen. Dit was echter nooit gebeurd. Een incident in 1647 leidde ertoe dat Inoue bijna zijn positie aan het hof in Edo verloor. In de zomer verscheen namelijk totaal onverwacht een Portugese ambassadeur in Nagasaki in een poging om de handelsrelatie te herstellen. Door dat incident werd enerzijds pijnlijk duidelijk hoe machteloos het keizerlijke leger eigenlijk was tegenover de Portugese galjoenen, en anderzijds werd duidelijk dat Inoue niet goed geïnformeerd was. Het incident verzwakte zijn positie aan het hof. Om het vertrouwen van de shogun te herwinnen beschuldigde hij de Nederlanders ervan de hand in de zaak te hebben gehad, en dat zij tot op dat moment nog steeds geen speciale gezant hadden gestuurd om hun dankbaarheid te tonen voor hun soepele opstelling in de afhandeling van de Breskens-affaire. Opperhoofd Frederick Coyett werd op zijn jaarlijkse hofreis in 1647 te kennen gegeven dat de shogun dit jaar geen geschenken van de Nederlanders zou aanvaarden omdat hij ontstemd was over het uitblijven van de gezant. Het was Coyett duidelijk dat er actie moest worden ondernomen. In 1649 arriveerde eindelijk de lang verwachte gezant, Peter Blokhovius, hoewel deze tijdens de reis was overleden. Dat hij slechts een marionet was, konden de Japanners wellicht vermoeden, maar niet bewijzen. Toch meldde Inoue dat de twee jaar durende verkoeling in de verstandhouding voorbij was.


De Hollanders verkregen het privilege om ieder jaar op audiëntie te gaan bij de shogun te Edo.[noten 7] Op deze hofreis werd aan de shogun en andere belangrijke gezagsdragers eer bewezen door geschenken aan te bieden. De eerste hofreis vond plaats in 1609, en vanaf 1633 was het een jaarlijks terugkerende gebeurtenis. Toen de Nederlanders naar Dejima waren verplaatst was de hofreis soms een welkome afwisseling in het doorgaans saaie leven op het eilandje, maar in plaats van een voorrecht werd de hofreis in de loop der tijd een last, enerzijds omdat er nogal wat kosten aan verbonden waren, en anderzijds omdat de reis zo'n 2000 km lang was en voor een belangrijk deel over land ging. Een hofreis duurde ongeveer drie maanden, waarvan twee tot drie weken aan het hof werden besteed.
Het opperhoofd had gedurende de reis een rang op het niveau van een daimyo, omdat die status vereist was voor ontvangst door de shogun. De kleine groep Hollanders werd vergezeld door een menigte Japanse dragers, tolken, bedienden en herauten. De shogun diende van tevoren een verlanglijst in, de zogenaamde "Eisen van de Keizer",[noten 8] waarin in detail werd beschreven welke geschenken werden verwacht. Tokugawa Ieharu bestelde bijvoorbeeld in 1765 drie Perzische hengsten die niet ouder dan negen jaar en gedresseerd moesten zijn en precies omschreven werden. Typische geschenken waren textiel, uurwerken, telescopen, boeken, exotische dieren en rariteiten. De shogun bood traditioneel 30 kimono’s van zijdebrokaat aan als tegengeschenk.
Het opperhoofd werd geacht nauwgezet de strenge hofetiquette te volgen.[4] Aangekondigd als Oranda Kapitan, moest hij langs de opeengestapelde geschenken naar het verhoogd platform kruipen waar de shogun was gezeten, verborgen achter een latwerkgordijn. Hij mocht geen geluid maken en moest langs dezelfde weg terugkruipen. Hoewel traditioneel beschouwd als vernederend, gaf deze ceremonie ook blijk van een geprivilegeerde status.[5] Na de officiële audiëntie was er plaats voor een minder formele ontmoeting in het appartement van de shogun, in aanwezigheid van leden van de Bakufu.
Het was ook gebruikelijk om geschenken mee te nemen voor hoge Japanse ambtenaren. In 1785 bestelde de Commissaris voor de vreemdelingen bijvoorbeeld een hondje: een reu, 20 duim groot met een krul in de staart, en de gouverneur van Nagasaki vroeg in 1814 onder andere een slingeruurwerk, een trompet en een globe.
In 1790 werd overeengekomen dat de hofreis nog maar eenmaal per vier jaar ondernomen hoefde te worden, maar dat onthief de Hollanders niet van de verplichting om jaarlijks geschenken aan te bieden.

Het ritme van het handelsjaar werd bepaald door de schepen die van Batavia naar Dejima voeren. Eind juni van elk jaar vertrokken twee of drie schepen voor hun reis van een maand naar Dejima, waarna er gedurende ongeveer drie maanden werd gehandeld. Daarna, eind oktober tot medio november, werden de boeken opgemaakt. Het opperhoofd droeg zijn taken over aan zijn opvolger die met de schepen uit Batavia was meegekomen. Vervolgens keerden de schepen terug naar Batavia waar zij rond de jaarwisseling aankwamen. Zodra de schepen Dejima hadden verlaten werd op het eilandje de hofreis voorbereid, die dan in het voorjaar (februari tot en met mei) werd uitgevoerd. Zodra de hofreis achter de rug was werd van mei tot augustus het volgende handelsjaar voorbereid.
Privéhandel was in het hele VOC-domein verboden, maar op verzoek van het bestuur van Nagasaki door de Heren Zeventien met tegenzin op Dejima toegestaan. Het werd gevraagd door het stadsbestuur omdat de kleine kooplui van de stad, die niet in staat waren zich met bulkhandel bezig te houden, zo toch een kans kregen om deel te nemen aan handel. Naast de "Kompshandel", de bulkhandel van de VOC, bestond er daarom de zogenaamde "Kambanghandel", een gereguleerde en gelimiteerde kleinhandel waarin Japanse kooplui en VOC-medewerkers deelnamen. De beperking tot een bepaald maximum leidde tot grootschalige smokkel; de op heterdaad betrapte Japanners werden vaak geëxecuteerd, de Nederlanders verbannen uit Japan.
De Nederlanders namen vooral in de beginperiode de lucratieve zilver-voor-zijdehandel over van de Portugezen. De zijdeproducent China had in 1547 een verbod op de handel met Japan afgekondigd als gevolg van het roofzuchtige gedrag van piraten in de Chinese kustwateren. De Portugezen hadden dit gat opgevuld door op Macau als tussenpersoon op te treden; zij kochten er Chinese zijde en verkochten het aan Japan voor zilver. Nadat de Portugezen de toegang tot Japan was ontzegd, konden de Nederlanders met een marktplaats op Formosa deze positie overnemen. Toch heeft er op de zijdehandel geen echte monopoliepositie voor de VOC bestaan omdat in Nagasaki ook een handelspost voor de Chinezen was gevestigd. Bovendien moesten de Nederlanders zich aan het pancadosysteem houden dat al in 1604 voor de Portugezen was ingesteld. Het hield in dat de uit China geïmporteerde zijde in Japan alleen voor een prijs mocht worden verkocht, die door een groep kooplieden uit de vijf keizerlijke steden Edo, Osaka, Kyoto, Sakai en Nagasaki was vastgesteld.[6] In 1640 importeerden de Nederlanders nog voor ruim zes miljoen gulden aan zijde uit China, een jaar later was dat nog maar een zesde.
Naast zijde werd uit het Aziatisch handelsgebied hout, huiden, lood, kwik, tin, suiker, specerijen, textiel en grondstoffen geïmporteerd. Japan zelf exporteerde zilver, goud, koper, kamfer, sake en soja. De producten die uit Europa kwamen en dienden als giften tijdens de hofreizen, zoals boeken en wetenschappelijke instrumenten, werden ook geïmporteerd voor de handel in Japan.[noten 9] Het Japanse zilver gaf de Nederlanders in het Aziatisch gebied een belangrijk handelsvoordeel tegenover de overige Europese naties, die het zilver voor een deel moesten invoeren uit andere delen van de wereld. In 1668 verbood Japan echter de zilverexport.
Osaka, een belangrijk handelscentrum voor koper, werd op de jaarlijkse hofreis altijd aangedaan. Koper was een gewild metaal in Azië en leverde de Nederlanders grote winsten op, maar na de 17e eeuw beperkte Japan de uitvoer van koper tot twee schepen per jaar. Toen de handel in Chinees porselein door interne strijd in China stilviel, begon Zacharias Wagener rond 1659 met het exporteren van Japans porselein uit Hizen, nadat hij voorbeelden had laten maken van Europese kannen en kruiken.

Het grootste aantal Nederlandse schepen dat in enig jaar de haven van Nagasaki binnenkwam, was 43 stuks in 1658. Daarna zouden er elk jaar zo'n 3 tot 7 schepen de haven binnenvaren. Vanaf 1715 werd dit aantal beperkt tot 2 per jaar en werden handelssancties opgelegd.[7] Na het faillissement van de VOC in 1800 werd de handelspost eigendom van de staat en beheerd door de gouverneurs-generaal van Nederlands-Indië. Als gevolg van de Napoleontische oorlogen in Europa en de Britse bezetting van Java door Thomas Stamford Raffles was de communicatie tussen Dejima en zowel Nederland als Nederlands-Indië lange tijd zeer moeilijk. Hendrik Doeff wist Dejima uit handen van de Engelsen te houden. Dejima was in deze periode samen met Kanton de enige plek in Azië waar de Nederlandse vlag bleef wapperen. Pas met de aankomst van een nieuw opperhoofd, Jan Cock Blomhoff, in 1817 was er weer sprake van een min of meer geregelde situatie. De laatste decennia was het feitelijke beheer van Dejima in handen van de Nederlandsche Handel-Maatschappij. Er was toen nauwelijks nog enige handel. De post werd opengehouden als een mogelijk diplomatiek steunpunt in de beoogde en toekomstige openstelling van Japan voor de westerse wereld.
Ondanks de aan zichzelf opgelegde isolatie van de buitenwereld ontstond in Japan een grote interesse voor westerse kennis. Al in 1609 schonk het eerste opperhoofd van Hirado, Jacques Specx, twee kanonnen met munitie aan de shogun, en liet er zijn mannen lessen in ballistiek geven. De wensenlijst van de shogun voor de jaarlijkse hofreis bevatte regelmatig boeken en wetenschappelijke instrumenten, zoals telescopen of barometers.

Uit de groep van Japanners die de Nederlanders in de gaten moesten houden, de tolken, wijkmeesters en inspecteurs ontstond een groep Rangakusha, Hollandologen of Nederlandkundigen, die westerse boeken begonnen te vertalen, wat eenvoudiger werd toen in de loop van de 18e eeuw het importverbod op boeken werd versoepeld. Het keerpunt zou in 1774 komen te liggen toen enkele Japanse geleerden het anatomische werk Ontleedkundige Tafelen van Johann Adam Kulmus vertaalden. Na deze publicatie verschenen vele andere werken in vertaling. Het vertaalwerk zou samengaan met publicaties van verschillende woordenboeken en studies van de Nederlandse taal. In de Japanse taal zijn als gevolg van de rangaku een aantal Nederlandse woorden ingeburgerd geraakt. Vaak zijn het woorden waarvoor in het Japans geen equivalent bestond, maar soms hebben Nederlandse woorden de Japanse variant verdrongen. Kokku (kok) is het oudste Japanse woord dat uit het Nederlands is overgenomen (1615).
In 1650 reisde de compagnie-arts Caspar Schamberger naar Edo om onderricht in westerse geneeskunde te geven. Hoewel Schamberger niet het wetenschappelijk niveau had van sommige artsen die hem zouden volgen, werd hij er de grondlegger van de Casparschool (Kasuparu-ryu) die tot 1867 zou blijven bestaan. De Casparschool was slechts een van de verschillende geneeskundige scholen die in de loop der tijd in Edo werden opgericht.
Naast westerse geneeskunde ging de interesse van de Japanse geleerden uit naar astronomie, wiskunde, natuur- en scheikunde, biologie, farmacologie, geografie, landmeetkunde en krijgskunde.
De Hollandse kooplieden hadden over het algemeen weinig belangstelling voor de Japanse taal en cultuur, wat mede veroorzaakt werd door het feit dat de meesten slechts kort op Dejima verbleven. Het waren in het bijzonder de artsen en sommige opperhoofden die studie maakten van Japan.

Dankzij de rangaku was Japan in de tweede helft van de negentiende eeuw in staat de overname en aanpassing aan de westerse wetenschappen voorspoedig uit te voeren.

Het beeld dat Japanners van Nederlanders hadden wisselde van roodharige barbaren tot een volk dat toch wel een zekere cultuur bezat. Hirata Atsutane (1776-1873) schreef dat "de Nederlanders lang zijn, met een lichte huid, grote neus en sterretjes in de ogen. Ze lachen graag, zijn zelden boos, en zijn niet vies zoals de Chinezen. Ze hebben hondenogen en bij het urineren lichten ze, net als een hond, een been op. Ze hebben geen hiel, waarvoor ze een hak aan de schoen dragen. Ze leven niet lang, ze worden zelden ouder dan 50, terwijl een Japanner bij uitzondering 100 kan worden". Hij bewonderde het feit dat "ze een volk zijn dat zich toelegt op studie en fundamenteel onderzoek in geneeskunde, astronomie en geografie".
Op Dejima woonden doorgaans 10 tot 15 Nederlanders onder streng toezicht van de Japanse autoriteiten. De bezetting bestond uit de opperkoopman (het opperhoofd), de factorij-arts, de pakhuismeester, en een aantal lagere medewerkers. Het was de Nederlanders niet toegestaan hun echtgenotes mee te nemen naar Japan. De vrouwen en kinderen die in Hirado nog wel aanwezig waren, werden voor de verhuizing naar Dejima teruggestuurd naar Batavia. Het is dus niet verwonderlijk - dominees werden op het eiland ook niet toegelaten - dat de Nederlanders gebruik maakten van prostituees. De publieke vrouwen, keisei,[noten 10] in Maruyama, de bordeelwijk van Nagasaki, waren onderverdeeld in drie groepen, de Oranda-yuki, Kara-yuki en de Nihon-yuki, respectievelijk de prostituees voor de Hollanders, voor de Chinezen en voor de Japanners. In Japan mochten prostituees hun stadswijk niet verlaten, maar in Nagasaki gold een uitzondering op die regel, omdat de Nederlanders Dejima niet af mochten. De keisei begaven zich dus naar Dejima, aanvankelijk voor slechts een nacht, maar later werd toegestaan dat een vrouw er drie dagen mocht blijven en tegen het einde van de 18e eeuw vijf dagen aan een stuk. Voor de Japanse ambtenaren was het slechts toegestaan van zonsopgang tot zonsondergang op het eiland te verblijven. De keisei waren er daarom ook om bijvoorbeeld in de lange winteravonden de mannen hun gezelschap en vermaak te bieden. De Oranda-yuki onderscheidden zich van hun collega’s op het vasteland. Van de keisei werd namelijk ingetogen gedrag verwacht, maar de Oranda-yuki mengden zich in de conversatie, schudden handen, kusten, droegen sieraden, nuttigden koffie en chocolade. Tegen de 19e eeuw werden de beperkingen aan het verblijf op Dejima soepeler. Hendrik Doeff, opperhoofd van 1805 tot 1817, maakte in april 1805 met twintig publieke dames een uitstapje naar Mogiura, en gaf er een groots feest.
De relaties die ontstonden tussen de Nederlanders en de keisei werden niet geheimgehouden; van de meesten is de naam bekend en ook of er kinderen uit de relatie voortkwamen. Bijvoorbeeld alleen al uit de periode 1800-1833 zijn 16 Europeanen bekend die vader waren van in totaal 22 kinderen. Kinderen werden echter als Japanners beschouwd en mochten bij het vertrek van de Europese vader niet meegenomen worden. Philipp Franz von Siebold had bij een keisei met de naam Sonogi een dochter, Kusumoto Ine, die de eerste vrouwelijke arts van Japan werd. [noten 11]

Het leven was saai op het eiland en de jaarlijkse hofreis van ongeveer drie maanden was een welkome afwisseling in de dagelijkse routine. Sommige opperhoofden of artsen besteedden de overige vrije tijd aan wetenschappelijk werk. Van de feesten die op het eiland gevierd werden viel het Nieuwjaar het meeste op. Japanse hoogwaardigheidsbekleders en tolken werden uitgenodigd voor een groot diner dat om 12 uur ’s middags begon. Talloze gerechten werden opgediend en om de Japanners die de Europese gerechten niet bevielen te plezieren, volgde er nog een tweede diner met Japanse gerechten. Er werd muziek gespeeld en gedanst, de drank vloeide rijkelijk en het feest duurde meestal tot diep in de avond.
Er waren op Dejima vanaf de tweede helft zeventiende eeuw ook altijd slaven aanwezig. Tot in de negentiende eeuw kon men in Batavia slaven voor met name werk in de huishouding kopen. Die verhuisden mee met de koper op reizen naar andere delen van Azië. Op veel afbeeldingen van opperhoofden uit de achttiende en negentiende eeuw komt dan ook een jonge slaaf voor, vanaf de negentiende eeuw soms in nogal verhullende taal aangeduid als de Javaanse of Balinese bediende. Jan Cock Blomhoff en zijn vrouw namen zes van deze slaven mee naar Dejima. De meest afgebeelde van alle slaven op Dejima is Orson in de periode 1825 - 1830, afkomstig uit de regio Bougis op Celebes. Uit een aantekening in het register van lijfeigenen van Nederlands-Indië wordt duidelijk dat de pakhuismeester Johan van Overmeer Fisscher de oorspronkelijke eigenaar was, maar deze stond Orson in 1826 in Dejima af aan Von Siebold. Orson ging met Von Siebold naar Europa, maar verdween na enige jaren spoorloos. [8]
In de zeventiende eeuw en de eerste helft van de achttiende eeuw is de herkomst van de meeste slaven onduidelijk. Een aantal werd met een toponiem aangeduid, bijvoorbeeld een Pieter van Sadragpatnam, een Arent van Makassar of een Floris van Bengalen. Ook benamingen als "Kaffer" of "Kaffir" komen voor en wijzen op een mogelijke Afrikaanse herkomst. Voor het grootste deel van de tweede helft van de achttiende eeuw worden in de archieven zowel de naam als de plaats van herkomst vermeld. Slaven kwamen uit Sumatra en met name van het eiland Nias, Malakka, Kalimantan, Molukken en de Kleine Soenda-eilanden. Het gebied dat het meest in de archieven wordt genoemd is Celebes. Er blijven echter ook slaven uit verder weg gelegen gebieden in die periode voorkomen, zoals Bengalen, de Kust van Coromandel, Ceylon en enkelen uit Thailand, het Arabisch Schiereiland en Perzië.
Vanaf het einde van de zeventiende eeuw was het aantal slaven beduidend hoger dan het op de handelspost verblijvende aantal Europeanen. Het betrof jaarlijks twintig tot veertig personen. De hogere rangen hadden aanzienlijk meer slaven dan het personeel in de lagere rangen. Het opperhoofd Isaac Titsingh (1745–1812) had tijdens zijn drie verblijven op Dejima respectievelijk vijftien, negentien en zestien slaven. In 1756/1757 verbleven er in totaal veertien Europeanen op het eiland. Het opperhoofd Boelen bezat daar achttien slaven. De overige dertien Europeanen bezaten samen nog eens veertien slaven. Vanaf de negentiende eeuw nemen de aantallen weer af, maar tot aan het midden van die eeuw waren slaven op het eiland aanwezig.[9]

In Hirado was er de mogelijkheid geweest overledenen te begraven op land. Die was er aanvankelijk niet op Dejima. Overledenen kregen de eerste tien jaar een zeemansgraf. In 1654 werd echter toestemming gegeven overledenen voortaan ook hier op land te begraven. In 1655 gebeurde dat voor de eerste keer. In de periode van iets meer dan tweehonderd jaar die volgde zijn er ruim 700 mensen begraven. Dat gebeurde op het terrein dat in de dagregisters werd aangeduid als Inasa of 'aan de andere kant van de baai'. Het terrein behoorde toen en ook nog in de 21e eeuw tot de Goshinji-tempel.
Van 726 personen kon worden vastgesteld in welke maand en jaar ze overleden. In de zeventiende eeuw waren dat er 113, in de achttiende eeuw 588 en in de negentiende eeuw nog eens 43. Tussen die laatsten bevindt zich een aantal Russen en drie Engelsen. In de periode augustus tot en met oktober was ieder jaar de piek van het aantal mensen dat overleed. In die periode lagen de handelsschepen in de baai en daar deden zich de meeste sterfgevallen voor. In die periode van tweehonderd jaar overleden in die drie maanden 584 mensen. Dat is 80% van het totaal aantal sterfgevallen. Het meest voorkomende beroep was dan ook matroos. Het aantal sterfgevallen van mensen die echt op Dejima verbleven is 79 waaronder 30 slaven. Er liggen op Inasa ook drie opperhoofden begraven. Dat zijn Van Lier in 1662, Besselman (die als opperhoofd aangesteld zou worden) in 1684 en Hendrik Godfried Duurkoop in 1778. [10] Het opperhoofd Gijsbert Hemmij overleed in 1798 tijdens een hofreis. Hij werd begraven op het terrein van de Tennenji tempel nabij Kakegawa. [11]
De dagregisters van de handelspost in Hirado en de factorij op Dejima zijn ten aanzien van een aantal aspecten van de Japanse samenleving in die periode de belangrijkste en vaak ook de enige Europese bronnen. Daarnaast zijn er de persoonlijke dagboeken van opperhoofden van Dejima als Willem Verstegen en François Caron. Er zijn nauwelijks andere Europese bronnen over bijvoorbeeld de laatste fase van de missie van de jezuïeten in Japan en het leven van missionarissen in Japan na hun gevangenneming en apostasie.

Het als kruiperig beschreven gedrag van de Nederlanders in Japan was vanaf het einde van de zeventiende eeuw een onderwerp in de Europese literatuur. Een fumie (trapprent, samenstelling van fumi [vertrappen] en -e [afbeelding]) was een afbeelding van Jezus of Maria waarop, in opdracht van de religieuze autoriteiten van het Tokugawa-shogunaat van Japan, een van het christelijk geloof verdachte Japanner moest trappen om te bewijzen dat hij geen christen was. In verschillende Europese en niet alleen katholieke publicaties werd beweerd dat de Nederlanders zich aan het anti-christelijke beleid van de shogun wisten te onttrekken door te verzwijgen dat ze christenen waren en op crucifixen en andere rooms-katholieke beelden te trappen, als ze daarom verzocht werden. Er waren auteurs die schreven dat het verloochenen van het eigen geloof in opdracht van de leiding van de VOC gebeurde. Een van de auteurs die dit beweerde was Jean-Baptiste Stouppa (of Stouppe) in La Religion des Hollandois .[noten 12] Jean-Baptiste Tavernier meldde in Six voyages de Jean-Baptiste Tavernier dat als men de Hollanders in Japan naar hun geloof vroeg, zij het antwoord gaven: ‘je ne suis pas Chrestien, je suis Hollandois’. Jonathan Swift in Gulliver's Travels en ook Voltaire in Candide, ou l'optimisme en Oliver Goldsmith in The Citizen of the World beschreven het trappen op een fumie als vast patroon in het handelen van de Nederlanders.
Er bestaat een Generale Instructie van 26 april 1650 waarin de Heren XVII het personeel van de VOC in Japan opdraagt om ‘die moedige, superbe, precise Natie [de Japanners] na de ogen te zien, om dezelve alles te believen’ en vooral geen aanstoot te geven door ongewenste geloofsuitingen. Hoewel het ‘een harde zaak schynd te wezen, om tydelik gewin’ het eigen geloof te onderdrukken, moest het toch maar gebeuren.[12]
Nederlanders werden in Europese literatuur verder beschimpt, omdat zij zich tijdens de hofreis aan het hof van de shogun een rol lieten welgevallen als ‘wilden’ die hun kunsten aan Europese vorstenhoven vertoonden. Oliver Goldsmith benoemt dit gedrag als ’abject submission’ van de Nederlanders. Ook personeel van de VOC zelf die op een dergelijke hofreis aanwezig was schreef daarover kritisch. Engelbert Kaempfer schreef: "Op deze manier, en met ontelbaare diergelyke andere apespelen, moesten wy ons zelven laten gebruyken tot vermaak van den Keyzer (bedoeld wordt de shogun) en van zyn Hofgezin."
Personeel van de factorij trad meerdere malen op als tolk bij processen van buitenlanders in Japan. In 1704 werden zes Europeanen gearresteerd die in een boomstamkano Japan hadden bereikt. De reizigers werden naar Nagasaki verscheept om daar door de Nederlanders ondervraagd te worden om vast te stellen of het ‘lieden waren van de Roomsche religie‘ en of zich een priester onder hen bevond. Het bleken twee Hollanders, de Vlaming Carolus van der Haeghe, twee Schotten en een Engelsman te zijn die in Manilla uit Spaanse dienst waren gedeserteerd. Deze Vlaming was eerder ook al uit dienst van de VOC gedeserteerd. De Nederlanders ontdekten dat de Vlaming wel degelijk katholiek was, maar wisten dit feit voor de Japanners te maskeren. De Japanners vertrouwden het echter nog steeds niet en dwongen de zes tot het vertrappen en bespuwen van een fumie. De zes werden daarna overgedragen aan de VOC.
De in Europa meest geruchtmakende zaak was die van de Italiaanse jezuïet Giovanni Battista Sidotti. Sidotti had het plan te pogen het christendom opnieuw in Japan te introduceren. Hij was tijdens de Edoperiode de laatste van een reeks missionarissen die daarvoor illegaal het land binnen kwamen. In het najaar van 1708 kwam hij aan in Japan en werd vrijwel onmiddellijk gearresteerd. Sidotti sprak geen Portugees. Bij de verhoren trad dan ook een assistent van de factorij op Dejima op als tolk, omdat beiden wel Latijn beheersten. De vrijwel volledige transcriptie van de verhoren maakte deel uit van de dagregisters van de factorij en is opgenomen in Oud en Nieuw Oost-Indiën van François Valentyn uit 1726. De zaak van Sidotti werd in vele katholieke publicaties beschreven. Daarbij werd de medewerking en hulp van personeel van de VOC sterk bekritiseerd.[12]


Halverwege de 19e eeuw werd het steeds duidelijker dat Japan door de expansiedrift van de westerse landen de afsluiting van de buitenwereld niet zou kunnen handhaven. Koning Willem II stuurde daarom in 1844 een brief aan de shogun Tokugawa Ieyoshi en drong aan op een openstelling voor de internationale betrekkingen. Het antwoord van de shogun was vooralsnog dat men wilde vasthouden aan de sakoku.
In 1853 forceerde commodore Matthew Perry van Amerika een doorbraak door met een aantal moderne oorlogsschepen de baai voor Edo binnen te varen, en op schootsafstand van het paleis van de shogun voor anker te gaan. Japan had geen weerwoord, en moest in 1854 de Conventie van Kanagawa tekenen, een verdrag met de Verenigde Staten. Japan vroeg aan het opperhoofd op Dejima, Jan Hendrik Donker Curtius, advies over de modernisering van zijn strijdmacht, en als gevolg daarvan zond Nederland in 1854 de marineofficier Gerhardus Fabius en een deskundige bemanning met het stoomschip Soembing naar Japan om er de opleiding van Japanse marineofficieren te beginnen. Donker Curtius stelde bovendien een plan op voor de opbouw van een moderne Japanse vloot. Het is aan Nederlandse adviezen te danken dat Japan zich in deze periode tegenover andere westerse landen vreedzaam opstelde. Op 5 oktober 1855 schonk koning Willem III het stoomschip aan Japan, wat in Nederland tot een heftige politieke discussie leidde.[13]
Japan sloot eerst met de Verenigde Staten, en daarna in 1855 met Nederland een handelsverdrag. Andere Europese landen volgden, waarvoor Nederland via Dejima bemiddelde. Het was het einde van een monopoliepositie die Nederland had in de handelsrelatie met Japan. Gedurende 217 jaar verliepen alle contacten tussen Japan en de westerse wereld via de Nederlandse handelspost op Dejima, maar nu verloor het zijn betekenis. Het eilandje werd voor iedereen toegankelijk en Nederland vestigde er in 1859 zijn consulaat. Met de ontwikkeling van Nagasaki tot een moderne haven werd het eilandje Dejima door de landaanwinning van 1904 opgenomen in de stad. Het plan voor deze uitbreiding werd overigens eind 19e eeuw door de Nederlander Johannis de Rijke gemaakt.[14]

De situatie van de Nederlanders op Dejima was weliswaar voor de westerse wereld exclusief, maar Japan onderhield tijdens de Edoperiode ook contact met China, Korea en het Koninkrijk Riukiu dat zowel met China als Japan een tribuutrelatie had. Alleen met Korea was er een vorm van diplomatiek contact. Met China liep het contact net als met Nederland alleen via handelaren in Nagasaki.
De handel tussen Japan en China was aanzienlijk groter dan die met de VOC. Er kwamen jaarlijks drie tot zeven Nederlandse schepen in Nagasaki. De Chinese jonken waren wel kleiner dan de Nederlandse schepen, maar het waren er tientallen per jaar en aan het eind van de zeventiende eeuw soms meer dan honderd. De Chinese handelaren verkochten voornamelijk zijde, suiker en Chinese medicijnen en kochten koper en zeevruchten. Door het gebrek aan overzicht op deze handel vond er ook veel smokkel plaats rondom Nagasaki. Er werd dan ook in 1689 besloten om een Chinese wijk Tôjin yashiki (letterlijk ‘Residentie van de Chinezen’) aan te leggen en werden de Chinese handelaren verplicht zich hier te vestigen. Net als de Nederlanders waren ook zij nu gebonden aan een ommuurde wijk. Die wijk was twee keer zo groot als Dejima en had ook aanzienlijk meer inwoners. Ook deze wijk bleef bestaan en functioneren tot de gedwongen openstelling van het land in het midden van negentiende eeuw.[15]
In de loop der tijd is het oorspronkelijke Dejima bijna geheel verdwenen; door landaanwinning was het al lang geen eilandje meer en de gebouwen waren grotendeels afgebroken. Een deel van het oorspronkelijk waaiervormige eiland ging verloren door verbreding van een kanaal.
In 1922 werd Dejima door de Japanse overheid tot Nationale Historische Plaats benoemd en werden enkele restauratiewerken uitgevoerd.
In 1982 legde de Dejima Historic Site Renovation Council zeven aanbevelingen voor over de restauratie van de VOC-factorij. Sindsdien wordt Dejima in fases gerestaureerd. Inmiddels zijn ongeveer twintig gebouwen op ware grootte gereconstrueerd, die alle dienstdoen als museum. In 2006 werd Dejima heropend. Het is overdag tegen betaling te bezichtigen. Ruwweg de helft is nu bebouwd met woningen en pakhuizen. De andere helft wordt momenteel heringericht. De verblijven zijn ingericht met Nederlandse meubels, maar hebben wel Japanse vloerbedekking van tatamimatten.
Op het eiland zijn diverse Nederlandse voorwerpen te zien, onder andere een kanon met een VOC-logo. Uit Delft kwam een grote originele balans, die hier gebruikt werd om suiker te wegen.
Ook de tuin van het eiland wordt gerestaureerd. Op 14 november 1990 bracht kroonprins Willem-Alexander een bezoek aan Dejima en plantte er een kornoeljeboom, Cornus florida.
